EU: voorstel landbouwhervorming in aantocht

De Europese Commissie wil volgens de laatste berichten op 12 oktober haar voorstellen voor de komende landbouwhervorming presenteren. De belangrijkste punten en de reactie door LTO, worden hieronder samengevat.
Hectarepremies
Op dit moment ontvangen ongeveer 55.000 Nederlandse boeren toeslagrechten op 1,4 miljoen hectares. De gemiddelde premie is € 600 per hectare. Op ongeveer 400.000 hectare land- en tuinbouwgrond liggen nu geen toeslagrechten. De Europese Commissie wil nu dat dit historisch model tussen 2014 en 2019 overgaat in een zogenaamd ‘regionaal model’: premies op alle “landbouwhectares”. Dat zijn hectares waar “voornamelijk” agrarische activiteiten op plaatsvinden en in ieder geval de hectares waarop in 2008 toeslagrechten zijn uitbetaald. In Nederland zou dat uitdraaien op een gemiddelde premie van € 440 per hectare (ruim € 800 miljoen verdeeld over 1,8 à 1,9 miljoen hectare). Voor een individuele boer betekent dat: de oude toeslagrechten vervallen in 2014, en hij/zij krijgt er nieuwe rechten voor terug.
Er zijn echter twee factoren die dit bedrag verder zullen gaan verlagen. Ten eerste wil de Europese Commissie het GLB-budget niet corrigeren voor inflatie. Bij 2% jaarlijkse inflatie is het reële verlies in zeven jaar bijna 15%. Ten tweede wil de Europese Commissie voorstellen om het verschil in gemiddelde ha-premies tussen de oude en nieuwe EU-landen verkleinen. De gemiddelde ha-premie in de EU is € 280. De landen die hoger zitten, moet dus budget afstaan aan de landen met een lagere gemiddelde premie. Hiervoor is een formule bedacht, waardoor Nederland al gauw 5-7% extra budget verliest. De budgetonderhandelingen kunnen zelfs leiden tot extra kortingen, zeker als Polen, als aanvoerder van de landen in Centraal Europa, eisen gaat stellen.
Het Europees Parlement wil een ruimer EU-budget dan de Commissie nu voorstelt, maar het zal om dat te realiseren nog het nodige te stellen krijgen met kritische lidstaten als Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Deze discussie vindt de komende anderhalf jaar plaats.
Een ander, redelijk ongrijpbaar onderwerp is de definitie van ‘actieve boer’. De Europese Commissie heeft hier nog geen tekst voor bedacht. LTO wil een GLB voor actieve agrariërs, dus die door eigen activiteiten een substantieel deel van hun inkomen uit de land- en tuinbouw halen. 
 “Vergroening”
Brussel wil het GLB ‘vergroenen’ in ruil voor behoud van budget.  Het voorstel wordt waarschijnlijk dat 30% van het nationale budget voor hectarepremies gekoppeld wordt aan drie “groene diensten”:   ‘diversificatie’, ‘permanent grasland’ en ‘ecologische zones’ : 
-        ‘Diversificatie’: minimaal drie gewassen bij een bedrijfsoppervlak van minimaal 3 hectare. Geen van deze drie gewassen mag minder dan 5% van het oppervlak in beslag nemen en meer dan 70%.
-        Criterium ‘blijvend grasland’: de definitie van ‘blijvend’ moet nog vastgesteld worden. Bij de overgang van ‘niet blijvend’ naar ‘blijvend’ grasland spreekt de Commissie over minimaal vijf jaar niet scheuren.
-        Ecologische focusgebieden: iedere boer zou minimaal 5% van het bedrijfsoppervlak, exclusief permanent grasland, moeten gebruiken voor dit doel. 
Biologische boeren kwalificeren zich automatisch voor de groene bedrijfstoeslag.
Hiernaast wil de Europese Commissie boeren in ‘benadeelde gebieden’ (Less Favoured Areas) via bedrijfstoeslagen extra steun geven tot 5% van het nationale budget. EU-landen hebben uiteraard financieel voordeel bij een verschuiving van deze vorm van steun naar de 1e pijler, omdat ze dan minder hoeven mee te betalen.
Of een ‘groene premie’ voor weidegang van rundvee in de zomer binnengehaald kan worden, is nog lang niet zeker. Het is een puur Nederlandse discussie. Aan de andere kant, de Nederlandse burger vindt dit belangrijk, maar de Nederlandse consument is zuinig en verse zuivel is minder dan 10% van de afzet van de Nederlandse melkplas. De vraag is ook hoe je prijsconcurrentie tussen ketenpartijen op dit ene kwaliteitscriterium uitsluit, zonder dat de NMa er moeilijk over gaat doen. Opmerking: LTO heeft als standpunt dat de mededinging meer ruimte moet geven als duurzaamheid in het geding is.
Stimulering van innovatie en concurrentiekracht
Op dit moment komen er via het GLB fondsen beschikbaar via beide pijlers van het GLB. In de 1e pijler is er de mogelijkheid om bedrijfstoeslagen af te romen en tot een bepaald maximum, via het zogenaamde ‘artikel 68’, beschikbaar te stellen voor innovatiesubsidies. In 2012 en 2013 gaat Nederland hiervan gebruik maken door ongeveer 3,5% extra van de bedrijfstoeslagen af te romen en hiervoor te gebruiken. Het geld komt beschikbaar voor integraal duurzame stallen, de brede weersverzekering, een risicoverzekering voor producten van broedeieren, precisielandbouw en bewaarplaatsen en een vaarvergoeding voor melkveehouders op eilanden. LTO heeft hier mee ingestemd om twee redenen. Ten eerste kan een goede, breed inzetbare innovatieregeling de sector een hoger rendement leveren dan een recht-toe recht-aan hectarepremie, waarvan we weten dat die steeds kleiner wordt. Ten tweede wordt de kans op een aantrekkelijke GLB-innovatieregeling na 2013 hiermee vergroot, als moet hiervoor in Brussel nog wel gestreden worden. Het doel is dat de positie van boeren en tuinders in de keten in 2020 versterkt is.
In de 2e pijler (plattelandsbeleid) is er onder meer geld voor luchtwassers (ammoniakfilters), kavelruil, jonge boeren en biologische land- en tuinbouw. Hier betalen EL&I en provincies aan mee.
De Europese Commissie wil het innovatiebeleid na 2013 geheel onderbrengen in de 2e pijler. Nederland wil echter de werking van het hierboven genoemde “artikel 68” behouden. Of dat lukt, is nog onzeker. Veel EU-landen zijn gericht op behoud van bedrijfstoeslagen en minder op innovatieregelingen. Nederland is het enige EU-land met een innovatiepoot in de 1e pijler.
 In de voorlopige voorstellen wordt risicomanagement na 2013 geheel onderdeel van de 2 pijler: verlaging premies, fondsvorming via onderlinge verzekeringen en inkomenstabilitatie bij meer dan 30% inkomensval.
Wat Nederland in de kaart kan spelen, is de toegenomen aandacht voor onderzoek in het EU-budget: er komt een pot van € 4,5 miljard voor landbouwonderzoek in 2014-2020. Met een actieve rol te spelen in het nieuwe “European Innovation Partnership for Agriculture” kan de Nederlandse land- en tuinbouw mogelijk hiervan profiteren.
 (Agrarisch) natuurbeheer en plattelandsbeleid
De 2e pijler van het GLB bestaat in 2013 uit ruim € 70 miljoen, namelijk 10% afroming van de bedrijfstoeslagen. Hier moeten EL&I en provincies verplicht geld bijleggen). Voor de periode 2014-2020 moet ieder EU-land een nationaal plattelandsontwikkelingsprogramma (“POP”) maken, en het land kan daarbij extra aandacht geven aan bepaalde thema’s, zoals jonge boeren/tuinders, kleine bedrijven, berggebieden en huisverkoop.  De Europese Commissie maakt een indeling naar zes thema’s:
-          Kennisoverdracht
-          Concurrentiekracht
-          Voedselketenorganisaties en risicomanagement
-          Biodiversiteit, CO2-vastlegging, afval en bodemmanagement
-          Bronefficiëntie: water, energie, nitraat en ammoniak
-          Banen en plattelandsvernieuwing
Lidstaten mogen subthema’s toevoegen, zoals jonge boeren, bergboeren, kleine bedrijven en huisverkoop. Maatregelen die in een conceptvoorstel worden genoemd: producentenorganisaties, agromilieumaatregelen, biologische productie, dierenwelzijn, bedrijfsontwikkeling, basisvoorzieningen platteland en dorpsvernieuwing.
Marktbeheer
Het ziet er naar uit dat de Europese Commissie bereid is het interventie-instrument voor granen en zuivel (boter en mager melkpoeder) te behouden. Hierbij blijft er voor bepaalde spilproducten een bodemprijs bestaan.  Het EU-melkquotum verdwijnt op 31 maart 2015. Ook voor het EU-suikerquotum wil de Europese Commissie een einddatum gaan noemen, mogelijk 30 september 2016.
Commentaar door LTO op de conceptvoorstellen
LTO wil in de ‘vergroening’ meer innovatiemogelijkheden voor de Nederlandse land- en tuinbouw, zoals weidegang, precisielandbouw en duurzame stallen. Dat zijn ook vormen van vergroening. Met het huidige voorstel kan Nederland weinig beginnen.
LTO vindt dat de tweede pijler te weinig aandacht krijgt in de discussies, terwijl hier toch veel mogelijkheden komen te liggen voor vernieuwing. De reden voor het gebrek aan aandacht is dat Nederland (EL&I en provincies) door alle bezuinigingen weinig trek heeft in de (door Brussel verplichte) cofinanciering. Op dit moment worden allerlei agromilieumaatregelen, zoals bescherming van weidevogels, gezamenlijk door lidstaat en Brussel betaald.
LTO heeft moeite met de mogelijkheden voor gebiedsteun, omdat het gevaar bestaat dat dat geld inzakt in pacht- en landprijzen, en overdrachtwaarde van bedrijven. Volgens LTO moet er tegenover geld altijd een ‘actieve dienst’ door een ‘actieve boer’ staan.
LTO wil dat er in het overgangsbeleid (2014-2020) aandacht is voor bedrijven die nu relatief veel ha-premie ontvangen. Boeren en tuinders moeten genoeg tijd krijgen om in te spelen op de komende veranderingen, gezien de mogelijk grote consequenties van de komende landbouwhervorming voor hun inkomens.
Het GLB moet niet dienen als stoplap voor de gaten in de mededinging. Duurzaamheid moet van de mededinging meer kans krijgen, zodat boeren en tuinders in 2020 een betere marktpositie hebben dan nu, met een eerlijker verdeling van de marges. 
Vervolg
LTO verwacht na de presentatie van de GLB-plannen (mogelijk op 12 oktober, maar er kan verdere vertraging komen) anderhalf jaar debat in Landbouwraad en Europees Parlement. Eind 2012 zou er dan een compromis moeten liggen, maar dat zal pas definitief kunnen worden als het EU-budget 2014-2020 rond is, eveneens rond eind 2012.
De kans is reëel dat de discussie pas begin 2013 afgerond wordt. Dit zou ervoor kunnen zorgen dat de landbouwhervorming pas op 1 januari 2015 begint. Lidstaten hebben namelijk een jaar nodig om EU-wetgeving over te nemen. Er zal ook tijdig gecommuniceerd moeten worden met boeren om hen de kans te geven zich voor te bereiden.
Bron: Klaas Johan Osinga