LTO Nederland houdt vast aan overgangstermijn 2013
Op 6 november jl. deelde minister Cramer van VROM in een brief aan de Kamer mee de overgangstermijn in het Besluit Huisvesting niet te zullen verlengen. Dat betekent dat per 1 januari 2010 alle varkens- en pluimvee¬bedrijven aan de emissiegrenswaarden zullen moeten voldoen met uitzondering van een categorie kleine bedrijven. LTO Nederland is van mening dat tot verlenging naar 2013 zou moet worden besloten.
Brief komt als verrassing
De minister van VROM verraste LTO Nederland met de brief. LTO Nederland voerde immers nog overleg over de overgangstermijn met VROM. Met het ministerie was besproken dat het standpunt van de minister nog onderwerp zou zijn van een bestuurlijke overleg met de minister. LTO Nederland ziet niet in welke noodzaak er zou kunnen zijn voor deze confronterende strategie en zal zijn ongenoegen hierover aan de minister kenbaar maken.
Argumenten om vast te houden aan overgangstermijn 2013
De argumenten die LTO Nederland aanvoert voor verlenging van de overgangstermijn naar 2013 zijn:
- bij de Kamerbehandeling van de Wav op 1 november 2006 stelde toenmalig staatssecretaris Van Geel dat een besluit over verlenging zou worden genomen als er meer zicht zou zijn op het halen van de NEC-doelstelling voor NH3 in 2010 van 128 Kton. Intussen is daarover meer bekend. Volgens schattingen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal in 2010 de totale NH3-emissie uitkomen op 123 Kton. Er kan met de huidige beleidsinzet dus ruimschoots aan de NEC-verplichting worden voldaan;
- de risico’s van verlenging voor het mogelijk niet halen van de NEC-doelstelling zijn klein. Het in de brief genoemde cijfer van 7 Kton emissiereductie vanuit varkens- en pluimveebedrijven, die door verlenging niet wordt ge¬realiseerd is onjuist. Dit cijfer is gebaseerd op 50% emissiereductie, ervan uitgaande dat met uitzon¬dering van IPPC-bedrijven nog geen bedrijven in emissiereductie hebben geïnvesteerd. Cijfers van de provincie Noord-Brabant laten echter zien dat ruim de helft van de varkens en een derde van het pluimvee reeds is gehuisvest volgens de eisen van de AMvB Huisvesting. Veel ondernemers zijn nog een stap verder gegaan: een kwart van de varkens is inmiddels gehuisvest in stallen met luchtwassers die een emissiereductie opleveren van 70-90%. Naar verwachting neemt dit percentage in de komende jaren verder toe. De investeringen in luchtwassers zorgen door de 20 tot 40% extra emissiereductie voor compensatie van de emissie van dieren op bedrijven die in de periode tot 2013 nog niet emissie¬arm worden gehouden. Deze cijfers kunnen representatief worden geacht voor de rest van Nederland;
- ondernemers sturen op het doen van investeringen in emissiebeperking op een moment dat door technische veroudering vervanging nodig is of vanwege schaalvergroting. Vaak wordt gekozen voor luchtwassers omdat hierdoor uitbreidingsruimte en meer zekerheid naar de toekomst toe wordt bereikt;
- de noodzaak van voorgaand investeringsritme wordt onderstreept door de teleurstellende inkomenssituatie van varkens- en pluimveebedrijven in de afgelopen jaren. Er is absoluut geen financiële ruimte voor extra investeringen of vervroeging ervan;
- 2013 sluit aan bij de welzijnseisen aan huisvesting. Bedrijven die daaraan nog niet voldoen kunnen aldus investeringen in welzijn en emissiebeperking combineren. Daarmee worden eventuele extra kosten van dubbele investeringen vermeden.
Volledigheidshalve zij hierbij nog opgemerkt dat de conclusies over het ammoniakgat voor de discussie over de verlenging van de overgangstermijn hierop niet direct van betekenis zijn.

