Wereldvoedseldag 2011: botsing van ideologieën
Wereldvoedseldag 2011 werd één dag te vroeg, op zaterdag 15 oktober 2011 gevierd met een uitstekend bezochte bijeenkomst in het Bethaniënklooster in zonovergoten Amsterdam. Maar de gezichten stonden ernstig: nog steeds hebben 1 miljard mensen op aarde structureel te weinig te eten. De eerste Millenniumdoelstelling, namelijk dat in 2015 het aantal mensen met honger gehalveerd moet zijn ten opzichte van 1990, wordt niet gehaald. Een land als Ethiopië blijft de komende decennia hulp nodig hebben, aldus Thea Hilhorst van Wageningen UR.
De 100 aanwezigen konden gelukkig ook horen over succesverhalen. Evelijne Bruning vertelde over haar succesvolle samenwerking met Nederlandse bedrijven in Benin. Daniël Knoop verwerkt Agave in Congo: door dit project komen boeren voor het eerst sinds lange tijd “hun bed weer uit”, want er valt iets te verkopen. Volgens Ahmed Esse, Somaliër in Nederland, wordt er te weinig met de mensen gesproken over wie het eigenlijk gaat. Daarom is hij met een groep mensen gewoon begonnen met aankoop en aflevering van hulpgoederen, net over de grens van Somalië. Ton Dietz (Afrika Studie Centrum) stelt dat het goed gaat met Afrika: “er zijn 1 miljard Afrikanen en met verreweg de meeste gaat het prima”.
De discussie, onder leiding van LTO Noord voorzitter Siem-Jan Schenk, draaide uit op uitwisseling van ideologische standpunten:
1) geef marktwerking een kans, en werk dus samen met het bedrijfsleven
2) nee, handel moet beperkt worden tot regio’s zodat ieder land kan voorzien in eigen voedsel. Dit vergt meer regulering om eigen producenten te beschermen tegen import
De, laatste, “voedselsoevereiniteit” is het speerpunt van Platform Aarde, Boer, Consument (ABC) en komt in feite neer op een radicale breuk met het beleid van de afgelopen decennia richting vrijhandel (WTO, European Partnership Agreements (EPA) en andere vrijhandelsverdragen, zoals met Zuid Korea.
Discussiëren vanuit ideologieën maakt discussiëren lastig: antwoorden zijn voor vraagstellers immers al een gegeven. Om verder te komen in dit debat, moet meer gekeken worden naar: in welke situatie kan de markt werken in het voordeel van boeren in ontwikkelingslanden, en in welke situatie moeten overheden zorgen voor bescherming zodat kwetsbare projecten de kans krijgen te groeien.
De Europese Unie heeft haar markt eenzijdig opengesteld voor producten uit een groot aantal ontwikkelingslanden. De EU is ’s werelds grootste importeur van land- en tuinbouwproducten uit Afrika. Dit vertegenwoordigt een waarde van ruim € 6 miljard per jaar. Denk hierbij aan cacao, koffie, tropische vruchten en bloemen.
In de discussie over wat de overheid wel of niet moet doen, wordt nog wel eens over het hoofd gezien dat grote agrofoodbedrijven (zoals de “ABCD”: ADM, Bunge, Cargill en LouisDreyfus) en inkoopcombinaties (retailers) hun eigen, bovenwettelijke eisen aan productieproces en –kwaliteit stellen. Dit, uiteraard in combinatie met een gebrekkige infrastructuur (wegen, transportmiddelen, koeling) is voor boeren in de derde wereld een groter probleem dan de WTO. De dialoog tussen de twee genoemde ideologieën moet zich richten op waar welke oplossing het beste werkt.
![]() |
Figuur: overzicht van de voedseltekorten in de wereld. Rood = meer dan 35% van de bevolking komt te kort.
Bron: Klaas Johan Osinga


